Spring naar inhoud

Over Sylvain Lelarge

Sylvain Lelarge - http://www.talenvoortalent.nl

Mijn lieve vader – inmiddels 89 jaar – is een nette man: voormalig onderdirecteur bij de Banque de France, fervent katholiek en een keurige belastingbetaler. Nooit zou hij iets nemen dat hem niet toebehoort. En toch gaat een van de smakelijkste keukentafelverhalen in onze familiekring over die dag dat hij, stropend in een beekje van zijn geliefde Normandië, twee gardes-chasse zijn kant op hoorde komen.

De net gevangen rivierkreeften had hij gauw in zijn onderbroek verstopt en hij was – le visage serein mais les couilles en feu – de besnorde beambten met een beleefde groet gepasseerd. Mon père est un braconnier du dimanche. ...lees verder "De la chasse et du braconnage"

Ruwe graniet en hemelsblauwe hortensia’s. Oerland aan de zee, waar het hart van Merlijn nog zacht klopt, gevangen door de oude Keltische bezwering van zijn fee Viviane… Bretagne is magisch en spreekt me zeer aan. Het is me dan ook volkomen duidelijk waarom Goscinny, de vader van Astérix, diens onoverwinnelijk (Gallisch?) dorp juist dáár heeft gesitueerd.

Doordat het zich pas heel laat bij het Franse koninkrijk aansloot - door de trouwring, niet door het zwaard! – is Bretagne altijd een plek apart gebleven, exotisch en vreemd, met zeer levende tradities, legendes, taal. Hoewel, taal…

...lees verder "Défense de cracher par terre…"

BrassensNaseizoen in de Pyrenées: mooi weer en uitgestorven dorpen. Ik was dus blij met het uitje dat ik voor mijn groep uitgezocht had: een heus Brassens-programma in een eetcafé twee dorpen verderop. Daar zaten we dus, vastgeklemd tussen tafel en muur in een propvol zaaltje, toen - nog vóór het apéro - de zanger op het piepkleine podium klom en meteen op zijn gitaar Chanson na Chanson begon af te ratelen.

De goede man was gewoon niet te stoppen en ging zo door tot na het digestif. Als docent voelde ik me bezorgd dat een dergelijke woordenlawine een beetje te veel van het goede was voor mijn metgezellen, maar mijn ongerustheid duurde niet lang, want al gauw merkte iets heel merkwaardigs. Zodra ik de eerste noten van een nummer hoorde en nog vóór de zanger zijn mond open deed, begon ik de volledige tekst - op de juiste melodie – zachtjes te zingen. Alsof Brassens door me heen zong. Een soort trance, de hele avond door. En het gekste was dat het gekozen repertoire voor het grootste deel uit minder bekende chansons bestond, die ik voor het laatst 40 jaar geleden gehoord had. Die zaten dus in mijn onderbewust gegriefd. Ik was duidelijk bezeten.

...lees verder "Brassens, ou la liberté"

Een volk leer je aan zijn helden kennen. Of zij werkelijk bestaan hebben en echt gedaan hebben waarvoor zij beroemd werden doet er eigenlijk niet zo veel toe. Want juist in die vervorming, die verfraaiing van de werkelijkheid ligt de sleutel tot het hart van ieder volk. Wat het wilt zien, wilt horen, dat is de boodschap.

En altijd – in hun oren – een boodschap van hoop. Was Jeanne d’Arc werkelijk het jonge onbevlekte herderinnetje – van de ene op de andere dag in een victorieuze legeraanvoerder omgetoverd – waarin wij willen geloven? Wat waren de twijfelmomenten van onze rots in de branding, Charles de Gaulle, eveneens redder van Frankrijk? Wij weten het niet, wij willen het liever niet weten.

...lees verder "Cyrano, le cœur qui (se) bat!"

1

TonneauWie zich vandaag – terecht - zorgen maakt over watervervuiling had in het middeleeuwse Parijs moeten wonen.  De levensechte verfilming  van ‘Le parfum’ – het meesterboek van Patrick Suskind – schreeuwt het uit: l’eau est mortelle!

Wie erin zwom, zich ermee waste, of ervan dronk, was zijn leven niet zeker.

Dat het toilette van Louis XIV in Versailles nooit verder gegaan is dan het snel deppen met een geparfumeerd handdoek getuigd niet van een tekort aan hygiëne maar van weloverwogen lijfsbehoud.

Tot laat in de 17de eeuw was voor stadsbewoner de wijn de enige veilige drank. Ingevoerd in de 6de eeuw vóór Christus via Marseille door de Grieken en zeer geprezen door de Galliërs – uitvinders van de tonneau, het eiken vat -  werd de wijn in Gallië eeuwenlang geïmporteerd uit Italië en pas na de bezetting door de legioenen van Jules César in het land zelf verbouwd.  De wijnteelt verspreidde zich vervolgens snel over het hele land - eerst langs de Rhône-dal - zodat het middeleeuwse Frankrijk de grootste wijnproducent en exporteur werd, met als voornaamste productieregio… Parijs en het Isle-de-France (Italië zou haar kampioenstitel pas in 2008 herwinnen). De stuwkracht achter die vlotte verovering was het Christendom: ‘le sang de la terre’ van de heidenen was immers ‘le sang du Christ’ geworden, en de behoefte aan ‘vin de messe’ maakte dat elk klooster er een behoorlijk wijngaard op nahield. Dom Pérignon, de uitvinder van de méthode champenoise, was dan ook een benedictijnse monnik.

...lees verder "Le bon alcool"

1

Met het schaamrood op de kaken moet ik iets opbiechten. Toen ik dertig jaar geleden in Schotland ‘mijn’ Nederlandse schone - letterlijk - tegen het lijf liep, wist ik niets van Nederland, niet eens waar het lag. Ergens in het noorden… Beschamend? Zeker, maar niet alleen voor mij, want het bleek dat dit gebrek in mijn generatie meer regel dan uitzondering was. Wat wilt u ? Pas rond mijn dertigste drong het tot me door dat er nog een andere Geschiedenis bestond dan de Histoire de France

Vandaag de dag weten de jonge Fransen – gelukkig? – de weg naar Nederland wel te vinden, tenminste tot de eerste koffieshop. Maar daar houdt het ook mee op: hun krasse onwetendheid is zelf de toenmalige mijne ontstegen. Niet één van hen zal bijvoorbeeld iets vermoeden van een historische link tussen Nederland en wat nu Indonesië heet. De pracht en het leed ervan gaat hen helemaal voorbij.

Ik koester het denkbeeld dat Nederlanders veel meer gericht zijn op de wereld dan Fransen. En dat jullie dus goed op de hoogte zijn van een andere historische link, namelijk die tussen Frankrijk en de Noord-Afrikaanse landen in het algemeen, en Algerije in het bijzonder.

Algerie conquete

Oh, is het niet zo? Roept het eigenlijk voor u weinig meer op dan couscous (en is dat niet Marokkaans?)?...

Ja, ja… Nu voel ik plaatsvervangende schaamte en moet ik er dringend iets aan doen, want zó een wezenlijk deel van de Franse cultuur - en taal - mag géén Francofiel over het hoofd zien.

Algerie le petit colonEerst de context. De Middellandse Zee, ooit Mare Nostrum van het Romeinse Rijk, is tijdens de Middeleeuwen bijna helemaal Islamitisch gebied geworden. Niet alleen in heel Noord-Afrika, maar ook in Spanje, in Sicilië, in sommige Provençaalse steden zoals Nice, in het Midden-Oosten en daarna - met het oprukken van het Ottomaanse Rijk, dat wel 500 jaar stand heeft gehouden – ook in Griekenland en tot in de Balkan, zijn er sporen te bewonderen van die toenmalig heersende beschaving. Het tegenstribbelen van de christenen, de veroveringen van de Vikingen, en vooral de gedreven en bedreven handel tussen alle betrokkenen maakte van dat binnenmeer een bouillon de culture die voortdurend het kookpunt nabij was.

Wij schrijven 1827. De Barbaresques, piraten en slavenhandelaren hebben als port d’attache Alger-la-Blanche, een protectoraat van de Ottomaanse Sultan. De Fransen hebben daar een handelspost, die ook dient als consulaat. Bijna een kwart van de 100 000 bewoners van Alger zijn namelijk christenen, meestal slav(in)en, maar ook gijzelaars, wachtend op hun losgeld, en dat steekt. Als de Franse Consul op een dag door de lokale potentaat met een vliegenmepper geslagen wordt, is de maat vol. Drie jaar later is Algerije Frans gebied, en in 1848 wordt het zelfs een Frans département, jaren eerder dus dan bijvoorbeeld de Savoie en de Haute-Savoie (1860).

Daarom, terwijl heel Noord-Afrika en een groot deel van Zwart-Afrika vervolgens door Frankrijk veroverd wordt – en al die koloniën het ‘vaderland’ tot twee keer toe uit de oorlog redden - bleef voor vele Fransen Algerije de geliefde achtertuin, een onlosmakelijk stukje thuis onder de zon. Het loslaten werd ook bijzonder pijnlijk, wat tot de jarenlange verschrikkingen van de Guerre d’Algérie leidde, met in 1962 een dubbel drama als ontknoping: die van de verjaagde lokale blanken (les Pieds-noirs, die niet makkelijk konden aarden in la métropole) en die van de Harkis (Algerijnen die in het Franse leger dienden, en van wie de meesten - nadat zij achtergelaten waren door het Franse leger – door de rebellen werden afgeslacht).

De invloed van de Arabische beschaving op het middeleeuwse Frans is groot, en in het bijzonder in een aantal gebieden: de plantenkunde (met allerlei kruiden – estragon… – vruchten – abricot, orange, pastéque… – en groenten – artichaut, aubergine, potiron…), de keuken (met niet alleen de bekende couscous, maar ook o.a. de taboulé*, de merguez*, de méchoui*… en de caramel),  de kleding (gilet*, babouche*, savate*, jupe, châle…), de paardenkennis, de sterren- en wiskunde. Want waar zouden onze geleerden zijn zonder onze huidige Arabische chiffres, de algebra en de algoritmes, en vooral de onmisbare zéro en de oh zo variabele X? En onze musici zonder guitare noch luth? Niet al die woorden komen trouwens uit het Arabisch (ongeveer 500 wel) maar wel via het Arabisch uit het Farsi (‘Iranees’), het Turks, het Hindi… Via het Arabisch komen wij aan onze broodnodige café (en zijn tasse (kopje)), alcool et… haschisch (en dus aan het woord assassin (moordenaar)…) En al onze kiosks, magasins (tot hun sacs (tassen) toe) - en zelfs onze bureaux de douane - kunnen wij beschouwen als Arabisch linguïstisch erfgoed.

Vous parlez plus d’arabe que vous le pensez…

Van een hele andere orde zijn de vele – familiaires – woorden die de negentiende-eeuwse Franse militairen met zich meenamen uit de Campagnes de Pacification en die het dagelijkse Frans ingeslopen zijn. Het is soldatentaal en gaat dus over soldatendingen. De eindeloze tochten langs de Algerijnse bleds (verloren dorpjes) met de hele barda (bepakking) op de rug. Het eten in een boui-boui (restaurantje) waar alles met een bakchich (smeergeld) te regelen valt. Soldaten doen de vreemde dialecten van de lokalen als charabia (wartaal) af en zien hun omslachtige omgangsvormen voor salamalec*... Aan de politiek hebben zij geen boodschap: voor hen is alles kif-kif (om het even) en met de baraka (mazzel), worden zij gauw licht verwond, net genoeg om door de toubib (arts) naar huis gestuurd te worden. Maar als het erop aankomt, weten zij toch hun mannetje te staan, als het moet tot de baroud d’honneur (tot het bittere eind blijven vechten, voor de eer)!

Alors, parlez-vous françarabe? Eh bien… oui, un chouia (een héél klein beetje)!

* Petit lexique arabo-français:

  • Le taboulé est une salade de couscous aux tomates et à la menthe, très rafraichissante en été
  • Une merguez est une saucisse très épicée, normalement de mouton
  • Un méchoui est un mouton entier cuit à la broche
  • Le gilet est ce que les Néerlandais appellent ‘een vestje’ alors qu’une veste est leur ‘colbert’ (Colbert étant un ministre de Louis XIV)
  • Les babouches sont des chaussures légères ouvertes à l’arrière et avec une extrémité longue et repliée
  • Les savates sont de simples pantoufles de cuir ouvertes à l’arrière. C’est aussi le nom de la boxe française, qui autorise les coups de pied
  • Salamalec: de l’arabe As-salâm 'aleïkoum ‫السلام عليكم « Que la paix soit sur vous... », salutation des musulmans, les salutations traditionnelles durant bien longtemps par rapport aux françaises.

Sylvain Lelarge

4

‘Nos ancêtres les Gaulois, cheveux blonds et têtes de bois…’

Deze enkele woorden zijn genoeg om de – inmiddels rijpere – Fransman op te vrolijken en in een flits de glimlach van Henri Salvador voorbij te zien gaan. Maar deze beroemde komiek van de jaren ’60 was net zo min Galliër als ik Batavier en droeg bij het zingen van zijn vrolijke ritournelle (met als refrein ‘Faut rigoler!’ [Lachen!]) een blonde pruik en dikke moustaches die zijn Caribische afkomst alleen maar onderstreepten.

Het werd ons – de ‘Franse’ kindertjes, zij het uit Ouagadougou of Saigon - met de paplepel ingegoten: zij waren onze oerouders en Vercingétorix was de eerste held van Frankrijk. Het indrukwekkende tafereel van zijn dramatische overgave aan Julius Caesar hing in elk klaslokaal, en ik verbeeld me dat het die poster is die Goscinny aanzette tot een zoete wraak met zijn - onoverwinnelijke - Galliër: Astérix.

Uiteraard zijn we een mengelmoes van de ontelbare volkeren die in de afgelopen twee duizend jaren in dit deel van Europa zijn neergestreken. Maar de invloed van de Gallische cultuur is zo groot op onze Franse belevingswereld dat wij – tenminste geestelijk – ons best als hun afstammelingen kunnen beschouwen. Tot voor kort wisten wij niet veel meer over ze dan de sterk vertekende verhalen die dezelfde Julius Caesar geschetst had in zijn oorlogsjournaal ‘La guerre des Gaules’.

Wie waren de Galliërs en wat hebben zij ons nagelaten?

Tussen de tien en twintig miljoen van die Kelten leefden op nagenoeg de huidige Frankrijk 2000 jaar lang vóór de Romeinse verovering. Hoewel er vele stammen waren wisten ze zich één volk en konden ze zich verenigen. Hun grondgebied hadden zij goed ontwikkeld met wegen (zij waren voornaamste ambacht- en handelsmannen), boerderijen en verdedigingswerken. Zij vereerden de krachten van de natuur en waren niet bang voor de dood – alleen dat de hemel op hun hoofd zou vallen.

Van de structuur van hun taal is weinig bekend, maar Gallische woorden gebruiken wij elke dag: wat denkt u, onder vele andere, van ambassade of budget?

Veel dichter bij de basisbehoeften van Monsieur Dupont liggen béret, bagnole (auto) en braguette (gulp), om niet te praten over grève (de nationale sport) of tonneau (wijnvat, die de wereld te danken heeft aan de Gallische bon-vivant). Paris dankt haar naam aan de Parisi-stam en de Auvergne aan de Avernes. Zelfs de tegendraadse quatre-vingts (80) stamt af van de op 20 gebaseerde – Gallische - rekenwijze.

Bijna zo bekend als de Deux-chevaux - cheval: weer zo een Gallisch woord – is de sigaret Gauloises. Hun nationale dier – le coq – word als een pin-up te pas en te onpas tentoongespreid, op de oude franc-munten, op de bleekwater- of cognacflessen, op de sportshirts - om over de sterke chauvinistische campagneposters van de Front National te zwijgen. Een pikante mop is une blague gauloise et l’esprit gaulois – een artistieke neiging tot chaos – de zelfverzonnen uitleg voor het steeds mislukken van hoognodige hervormingen.

Daarin herkennen zich – bewust of onbewust – ook de Fransen van vandaag, met al hun charmante en irritante eigenschappen. Maar wees gerust: net als voor Astérix en Obélix, blijft voor de huidige Galliërs ‘l’humour, l’amour, et la bonne humeur!’ het belangrijkste.

Par Toutatis!

5

Zijn bekende verschijning heeft iets fotogenieks, iets romantisch zelfs, maar dat is schijn, want het leven van een clochard is alles behalve makkelijk. Zijn ogenschijnlijke vrijheid wordt wreed ingeperkt door wet en ellende. Nee, geen zinnig mens wil clochard worden. Die naam alleen. Weet u trouwens waar die vandaan komt? Uit de Middeleeuwen, toen sommige daklozen wel eens in de kerktoren mochten overnachten – als zij maar op de gezette tijden de cloches (klokken) zouden luiden. Met die cloch- niets mis dus. Nee: de narigheid komt van de –ard.

Net als –ouille meteen een ‘bon-enfant-sfeer’ oproept, heeft de –ard voor Franse oren een denigrerende naklank. Een clochard, met vaak als enige compagnon een manke clébard (straathond) is wel eens ongezond blafard (lijkbleek), met een cocard (blauw oog) of twee als make-up (fard) en met zo weinig verstand (en weerstand) als een pochard (dronkenlap)…

Andere onguur type: de loubard , de straatjongen met zijn zwarte leren jack, het getatoeëerde bendelid en de nietsontziende motard. Net als bij de clochard en grotendeels dankzij de wilde ritten van ‘Easy rider’ hangt rond die postmoderne ridders de bitterzoete geur van avontuur en het vrije leven, maar in een donker zijstraatje komt u ze toch liever niet tegen. Wie het leven beu is en wel een rancard (afspraakje) met ze wil zal ze meestal in hun clubhuis treffen, of misschien nog vaker: lekker peinard (aan het niksen) in de mitard (gevangenis).

Derde in de rij: de politicard (dubieuze politicus), dikwijls soixante-huitard geweest (oud-relschopper van mei 1968), of mouchard (verklikker) voor de juten, keurig in costard (het – uiteraard patserige - pak) maar roublard (gehaaid) als een veehandelaar...

Nee, ik vertel u echt geen bobard (onzinpraatje): -ard is naar.

Want waarvoor wilt u het liefst uitgemaakt worden: voor pantouflard (pantoffelslak), trouillard (lafaard), pleurnichard (huilebalk), ringard (oubollig), tocard (halve gare) of flemmard (luilak)? Geen van alle!

En – als wij naar de bas-fonds van de Franse taal dalen – kan het nog erger: een connard is geen gewone con (stommerd) maar een zeer getalenteerde, en een salopard is nog veel slechter dan een gewone salop (klootzak): smeerlapperij is zijn liefhebberij.

Excuse my French…

Gaan dan alle woorden in –ard over verval en onheil? Bijna wel…  Want zelfs de meest onschuldige, als lard (spek), tard (laat), pétard (rotje) of têtard (dikkop) lenen zich ervoor: un fêtard (pretmaker) is meestal ook een couche-tard (nachtvlinder), ‘Gros lard!’ is een scheldwoord voor de wat gezette personen, een têtard is inderdaad niet moeders mooiste en se mettre en pétard is se mettre en colère (boos worden)… Géén goed positief woord te vinden dus in die reeks, behalve misschien veinard (bofkont) - als het tenminste niet gezegd wordt uit afgunst.

Het is eenmaal zo: het Frans mag mooi klinken, maar heeft ook zijn schaduwklanken.

Nu hoop ik dat ik u daarmee geen cauchemar(d) (nachtmerrie*) bezorg want het is al lang bedtijd: onder de veren dus - au plumard!

* een nachtmerrie is een cauchemar, maar het werkwoord is cauchemarder, wat duidt op een oudere vorm: cauchemard.

2

Alleen al bij het lezen van de twee eerste woorden waande u zich midden in Frankrijk, zo sterk zijn brood, wijn en kaas verbonden met het Franse bonne vie. Voor de Fransen ook trouwens, die er een complete zondagse casse-croûte aan hebben – op een saucisson na, en een appeltje toe.

Maar waarom zijn juist die drie etenswaren tot nationale symbolen verheven? Lees hier over de opkomst van de baguette, van de coup de rouge en van de 365 kazen die Frankrijk – dixit De Gaulle - onregeerbaar maken. Hier zal ik het over het brood hebben, later over wijn en kaas.

Brood is – evenals de kastanjes in het Massif central - sinds mensenheugenis het meeste basale voedsel van het Franse volk geweest, een levensmiddel waarvan het tekort tot hongersnood – en dus rellen – leidde. Toen de Parijsje volksvrouwen – tot het uiterste gedreven door de hoge meelprijs - Koning Louis XVI, Marie-Antoinette  en het prinsje uit Versailles gingen halen, zongen ze triomfantelijk dat ze ‘le Boulanger, la Boulangère et le petit Mitron’ naar de hoofdstad terug zouden brengen.

Gagner son pain was voor teveel mensen onmogelijk aan het worden. Het Koningshuis had toen met het massaal uitdelen van brood wellicht nog gered kunnen worden. Maar die twee werelden waren te ver uit elkaar gedreven, getuige de vermeende reactie van Marie-Antoinette toen zij de boze mensenmassa hoorde woelen bij het hoofdportaal van Versailles:

- Marie-Antoinette: Qui sont ces gens?
- Le majordome: C’est le peuple, Votre Altesse.
- Marie-Antoinette: Que veulent-ils donc?
- Le majordome: Du pain, Votre Altesse. Ils n’ont pas de pain.
- Marie-Antoinette: Ils n’ont pas de pain? Eh bien, qu’ils mangent de la brioche!
[vrij vertaald: “Hebben zij geen brood? Dan moeten ze maar zoete koekjes eten!”]

Het werd dus revolutie, en alles wat aan het l’Ancien Régime deed denken moest op de schop. Er kwam een nieuwe kalender – zelfs een nieuwe jaartelling -  een nieuwe religie – l’Être suprême - en uiteraard een nieuw brood. Fini, het verschil van standen tussen het witte broodje en de grijze drieponder.  Op 15 november 1793 (26 brumaire An II), besloot de nieuwe regering dat er maar één soort brood gebakken mocht worden: le Pain Égalité!
Die baguette, letterlijk een stok-brood van 40 centimeters en 300 gram, is dus als het ware le pain de la Révolution ! De prijs van het brood werd ook tot ver in de jaren 1980 door de regering bepaald, wat een garantie moest zijn voor de stabiliteit van het land.

Die protectionisme  leidde echter tot een zodanige verslechtering van de kwaliteit – de industriële baguette smaakte nergens meer naar – dat het hoognodig werd om de concurrentie aan te wakkeren. Intussen zijn er gelukkig weer uitstekende Boulangeries – en lang niet alleen de wereldbekende Poilâne – en kan ik weer lekker doen wat alle Franse kindjes doen die van hun moeder une baguette bien cuite moeten halen: het krokante bruingebakken korstje van de sneeën zo discreet mogelijk inkorten en lekker opknabbelen.

Wel ondeugend, maar oh zó heerlijk!
Un des petits plaisirs de la vie…

6

Af en toe komen ze naar me toe, die no-nonsense-Nederlanders die alleen dat Frans willen leren wat zij straks zullen gebruiken. De rest hebben ze niet nodig en aan de grammatica absoluut geen boodschap. Alle ballast overboord. En Frans schrijven, daar doen ze sowieso niet aan…

Dat je geen kroonluchter in je salon kan ophangen als de muren niet eerst staan is blijkbaar nooit bij ze opgekomen. Et pourtant… achter elk Frans zinnetje, zelfs het simpelste, het meest praktische, ligt een wereld aan wetenswaardigheidjes die niet alleen nuttig zijn om de taal behoorlijk te spreken maar ook om de smaak ervan en ervoor te pakken te krijgen.  Un exemple parmi beaucoup d’autres: neem even de tijd om de volgende zin naar het Frans te vertalen.

‘Mijn huisarts heeft me een recept gegeven om medicijnen bij de apotheker te gaan halen.’

Simple comme bonjour, n’est-ce-pas?

Bij de gemiddelde Nederlander zal het iets opleveren zoals:

Mon docteur m’a donné une recette pour aller prendre des médecins au pharmacien.’

Laten wij elke van die vijf woorden onder onze taalloep nemen.

  • Mon docteur is op zich prima, maar voor een huisarts zegt men mon médecin de famille; echter, praten meeste Fransen over mon toubib (familiaire woord uit de oud-kolonie Algerije afkomstig).
  • Une recette? Uiteraard gaat de gezondheid van de Fransman via zijn maag, maar om de Coq au Vin en Tarte Tatin door de Sécurité Sociale te laten vergoeden gaat zelfs een Franse arts toch een tikketje te ver. De recettes laten wij dus in de keukenla en nemen genoeg aan une ordonnance. Minder lekker maar wel efficiënter (en je krijgt er toch - in Frankrijk - geregeld een Bourgondische portie mee binnen).
  • Prendre is Frans voor ‘nemen’; ‘halen’ deelt met ‘zoeken’ één Frans werkwoord: chercher. Als u uw schoonmoeder op het station gaat halen, wordt het letterlijk in het Frans: ik ga haar zoeken, ik ga op zoek naar haar. Zo houdt u de mogelijkheid open dat u haar jammerlijk niet vindt… De Gaulle werd trouwens kierewiet van dat eindeloze gezoek. In Frankrijk worden namelijk uitvinders chercheurs genoemd, en de grand grand homme explodeerde ooit in een luidruchtig: ‘Je ne veux plus de chercheurs, je veux des trouveurs!’
  • Medicijnen wordt vertaald met médicaments, maar in welke vorm: des cachets, des comprimés, des gélules, une crème ou un baume, des suppositoires ou des ampoules?
  • En ja, de pharmacien is de juiste man – of vrouw  - alleen wordt er óf chez le pharmacien gezegd, óf à la pharmacie.

 De beste vertaling – qua taal en cultuur – zou dus de volgende zijn:

 Mon toubib m’a donné une ordonnance pour aller chercher des médicaments chez le pharmacien.

 Op die manier elk woord gaan bestuderen zal onze doelgerichte Nederlander maar niks vinden: het zijn voor hem overbodige comptes d’apothicaire (haarkloverij). Misschien, maar als taalfijnproever weet u wel beter: al die verhaaltjes, wetenswaardigheidjes, spreekvormen, uitdrukkingen helpen de taal te beleven. Samen geven ze u een steeds betere ressenti voor de belevingswereld van de Fransen, en voelt u er zich als het ware ook een beetje Franser door. En gaat het daar uiteindelijk niet om: toubib or not toubib ?…

1

Wat roept de Franse bricoleur du dimanche als hij per ongeluk op zijn duim timmert? Het hangt van twee dingen af: hoe hard hij geslagen heeft en of zoontjelief in de buurt is... Als het echt pijn doet en hij is alleen, dan kan hij rustig zijn ware gevoelens uitbrullen:

‘Ail! Ail! Ail! B... D... de b.... de m...!’  (over de ...tjes schrijf ik nog eens een column... Promis!). Maar als hij zich moet bedwingen en zijn vaderrol serieus neemt, dan gaat hij naar alle waarschijnlijkheid als een boer met kiespijn ‘glimlachen’ en beheerst ‘Ouille! Ouille! Ouille!’ roepen. En het boodschap is heel anders! De pijn is  - zo goed het kan en op heroïsche wijze - achter goed gemutste humor weggestopt. Want dit is wat ‘ouille’ doet met een Frans brein: bon-enfant opbeuren.

Ik moet het toegeven: ik heb geen idee waaraan die specifieke klank zijn verzachtende en opbeurende werking ontleent, of sinds wanneer, maar het is een feit dat vele woorden die in –ouille eindigen dit zelfde effect hebben. En dat die woorden allemaal bij de familiare sfeer horen is geen wonder: zij versterken hem.

Quelques exemples:

Wat is intiemer en vrolijker dan elkaar kietelen? Dan schatert het slachtoffer ‘Arrête! Tu me chatouilles!’

  • Van een kind, een hond of een oude buurman met een vriendelijk smoel zegt u: ‘Il a une bonne bouille... [une bonne tête] Et il ne ferait pas de mal à une mouche...’
  • Is uw dondersteentje ondeugend (zij heeft een snoepje gepikt) en moet u doen alsof u boos bent –niemand trapt erin – dan vermaant u de hartedief met een ‘Viens ici, petite fripouille!’ [petit bandit].
  • De inconditionnels van Louis de Funes (ben ik niet) en Bourvil (ben ik wel) zullen zich zeker de film ‘La grande vadrouille’ nog herinneren. ‘La grande promenade’ ou ‘La grande randonnée’ zouden als titels totaal ongeschikt zijn geweest voor deze nog beroemde road-Vaudeville.
  • Heeft uw oude vader u de stuipen op het lijf gejaagd door op een wankelende stoel te klimmen om een boek van de bovenste plank te halen, dan is een ‘Tu m’as fait une de ces trouilles!’ [une de ces peurs!] op zijn plaats. Tenminste als hij goed en wel teruggekomen is  op de ‘plancher des vaches’.
  • Heeft oom Jules het weer gepresteerd om zijn auto in de prak te rijden (ja, al die pedalen zitten zo dicht bij elkaar), dan is de enige mogelijke commentaar: ‘Quelle andouille!’ Hoe de naam van die welbekende worst synoniem geworden is aan ‘imbécile’ – net als de italiaanse ‘nouille’ pasta, trouwens – mag Joost weten, maar het houdt het wel binnen de perken en gezellig: Jules blijft immers een beste kerel.
  • En die chaotische maar zó leuke rommelwinkel waar voor wie weet te zoeken altijd iets leuks te vinden valt, noemt u ‘Les Galeries Farfouilles’, wat doet tegelijkertijd denken aan de beroemde ‘Galeries Lafayette’ , aan ‘farfelu’ (aardig gek) en aan ‘fouiller’ (doorzoeken)...

En zó zou ik nog een tijdje kunnen gaan, maar ik moet u jammer genoeg verlaten: het is één uur geweest en mijn vrouw heeft de lunch al klaar. Et, croyez-moi, elle fait une bonne tambouille! [une excellente cuisine!]

Sylvain Lelarge geeft vooral in Frankrijk maar ook in Nederland bijzondere efficiënte en plezierige cursussen Frans voor actieve francofielen.
En savoir plus?
Vindt u het leuk om zijn bundeltje met de vroegere columns te lezen, mail dan met Sylvain via: contact@talenvoortalent.nl


Bookmark and Share

5

Vaak roep ik ‘La Reine est ma voisine!’ en het is ook zo: ik woon vlakbij ‘Huis ten Bosch’ en wandel maar al te graag in het Haagse Hout. Het gebeurde dus dat ik op de sterfavond van Prins Claus richting het paleis was gaan neuzen, gewoon, om de mensen te zien. Het bospad naar het koninklijke portaal was speciaal voor die gelegenheid sterk verlicht en mediawagens met uitpuilende apparatuur stonden aan beide kanten in lange rijen. En er waren inderdaad veel mensen. Voor de hek lag er een zee aan boeketten, teddyberen en condoleancekaarten met kindertekeningen.

Vaak roep ik ‘La Reine est ma voisine!’ en het is ook zo: ik woon vlakbij ‘Huis ten Bosch’ en wandel maar al te graag in het Haagse Hout. Het gebeurde dus dat ik op de sterfavond van Prins Claus richting het paleis was gaan neuzen, gewoon, om de mensen te zien. Het bospad naar het koninklijke portaal was speciaal voor die gelegenheid sterk verlicht en mediawagens met uitpuilende apparatuur stonden aan beide kanten in lange rijen. En er waren inderdaad veel mensen. Voor de hek lag er een zee aan boeketten, teddyberen en condoleancekaarten met kindertekeningen.

Terwijl ik dat allemaal van dichterbij bekeek werd ik plotseling aangesproken door een televisieteam. ‘Meneer, wat voelt u nu?’ werd me gevraagd door een dame die haar microfoon onder mijn kin duwde, en ik hoorde mezelf spontaan zeggen: ‘Mevrouw, ik kom uit het land van de Revolutie, maar ik heb veel respect voor uw Koningin en ik wens haar van harte sterkte toe in deze moeilijke tijden!’… En weg waren ze. Ik stond zelf paf. Ik was me er tot dan toe niet van bewust dat ik Beatrix eigenlijk een warm hart toedroeg.

En ja, ik geef het toe: Beatrix is mijn Koningin. Ik kwam in Nederland aan toen zij gekroond werd, en ik vermoed dat ik Nederland vaarwel zal zeggen ongeveer wanneer zij de estafettescepter aan Willem-Alexander door zal geven. Ik ben blijkbaar een echte Nederlander geworden en droom dus over een huis in Frankrijk!

Maar terug naar de Koningin: hoe komt het dat ik, Fransman, geboren en getogen ‘républicain’, me in Nederland enigszins ‘royalist’ voel? Omdat het koninghuis mijn gevoel voor Historie aanspreekt. Wij Fransen kennen een lange geschiedenis van koningen, terwijl het koningschap voor jullie Nederlanders een betrekkelijk nieuw iets is. Net als de ‘République’ bij ons. Koningen blijven op ons een onmiskenbare charme uitoefenen, zij spreken steeds tot onze verbeelding. En kijk: nu ik over de familie van Oranje praat, moet ik meteen aan dat prachtige verhaal denken, over Wilhelmina die – uit pure hoffelijkheid – haar vingerkommetje met citroenwater opdronk toen ze bij een banquet zag dat haar gast, de president van Zuid-Africa, het uit onwetendheid net gedaan had. En de vijftig uitgenodigden rechts van haar, en de vijftig links van haar, deden meteen hetzelfde. Dit, vind ik, heeft classe. Ça a du ‘panache’!

Panache… De Franse Presidenten, van François Mitterand tot Nicolas Sarkozy, gedragen zich vaak als koningen, houden vorstelijke ‘trains de vie’ en starten faraonistische culturele projecten die de Parijzenaren af en toe flatteren, of juist opzadelen met de meeste afgrijselijke gebouwen. Getuige het ‘Centre Pompidou’, die bonte wrat op de neus van Middeleeuws Parijs. Zij gedragen zich als koningen, maar volgen jammer genoeg het verkeerde voorbeeld, dat van de Zonnekoning, Louis XIV (1638-1715), de bouwer van ‘Versailles’, de verwekker van de Franse ‘Grandeur’. Een koning wiens aanzicht moest verblinden, een koning die zijn volk liet creperen. Fout voorbeeld.

Panache! Minder bekend bij de Nederlanders, maar zeer geliefd door de Fransen, is de grootvader van Louis XIV: Henri IV (1553-1610). Een heel andere type. Al bij zijn geboorte in Pau (Pyrénées), wreef zijn opa hem knoflook op de lippen en liet hem wat ‘vin de Jurançon’ drinken. Als kind rende hij buiten met de herdertjes en al snel ging hij rollebollen met de meisjes. Alle ‘flirtende’ stellen hebben hun zoetste uren aan hem te danken, want ‘to flirt’ komt uit ‘conter fleurette’ dat zijn oorspong heeft in de eerste serieuze liefde van Henri IV: de schone tuimansdochter Fleurette. Koningen met vele maitresses zijn meer regel dan uitzondering maar die ene, die zijn hele leven lang stelselmatig en oprecht verliefd werd en al zijn vele kinderen, echtelijk en buitenechtelijk, samenbracht in één groot gezin waarvoor hij liefdevol zorgde – heeft daarmee het hart van de Fransen gestolen. Zijn overkokende liefdesleven – hij staat bekend als de ‘Vert-Galant’ – is trouwens niet het enige wat hem zo geliefd maakte. Hij, zoon van een katholieke vader en een Protestantse moeder, hij die met het mes op de keel zes keer van godsdienst heeft moeten veranderen, hij die op het nippertje ontkomen is aan de moordgekte van de ‘Saint-Barthelemy’ (1572 - slachting van duizenden Protestanten op de dag van zijn huwelijk met de katholieke princes Margot), heeft een rechtvaardige vrede weten te stichten na de 40 jaar-oude burgeroorlog tussen de twee kampen (Édit de Nantes – 1598). Dankzij zijn vriend en minister Sully heeft hij de landbouw grondig gestimuleerd, met ‘la poule au pot chaque dimanche’ op het oog. Zijn naam blijft echter vooral verbonden aan die dag dat hij – toen zijn soldaten aan de verliezende kant waren –midden in de vijandelijke troepen sprong met de kreet ‘Ralliez-vous à mon panache blanc!’ (‘Kom mijn witte pluim acherna!). Die ‘panache’ zien we terug in gedurfde eervolle acties en dat is waarlijk een stukje Franse ziel geworden. 

Henri IV werd vermoord door Ravaillac – een Kennedy-gebeuren avant la lettre. En zijn kleinzoon Louis XIV heeft jammer genoeg het vredesverdrag tussen Katholieken en Protestanten teniet gedaan (Hugenoten vonden toen hun heil in Nederland). Maar zijn roem is met de eeuwen maar groter geworden en zijn standbeeld onder de Pont Neuf (de oudste brug van Parijs) blijft één van de favoriete rendez-vous pour les amoureux.

Iedere Fransman kent die verhalen – zoniet de precieze jaargetallen. Geschiedenis zit ook in de Franse cultuur – in de Franse psyche – in de Franse taal veel dieper geworteld dan in de Nederlandse. De koppen in de kranten zijn vaak knipogen naar algemene bekende citaten die evenzeer cultuursleutels zijn voor de nieuwsgierige Francofiel.

Wilt u een lijst van de bekendste? Écrivez-moi… avec une plume blanche.