Spring naar inhoud

Mijn lieve vader – inmiddels 89 jaar – is een nette man: voormalig onderdirecteur bij de Banque de France, fervent katholiek en een keurige belastingbetaler. Nooit zou hij iets nemen dat hem niet toebehoort. En toch gaat een van de smakelijkste keukentafelverhalen in onze familiekring over die dag dat hij, stropend in een beekje van zijn geliefde Normandië, twee gardes-chasse zijn kant op hoorde komen.

De net gevangen rivierkreeften had hij gauw in zijn onderbroek verstopt en hij was – le visage serein mais les couilles en feu – de besnorde beambten met een beleefde groet gepasseerd. Mon père est un braconnier du dimanche. ...lees verder "De la chasse et du braconnage"

1

TonneauWie zich vandaag – terecht - zorgen maakt over watervervuiling had in het middeleeuwse Parijs moeten wonen.  De levensechte verfilming  van ‘Le parfum’ – het meesterboek van Patrick Suskind – schreeuwt het uit: l’eau est mortelle!

Wie erin zwom, zich ermee waste, of ervan dronk, was zijn leven niet zeker.

Dat het toilette van Louis XIV in Versailles nooit verder gegaan is dan het snel deppen met een geparfumeerd handdoek getuigd niet van een tekort aan hygiëne maar van weloverwogen lijfsbehoud.

Tot laat in de 17de eeuw was voor stadsbewoner de wijn de enige veilige drank. Ingevoerd in de 6de eeuw vóór Christus via Marseille door de Grieken en zeer geprezen door de Galliërs – uitvinders van de tonneau, het eiken vat -  werd de wijn in Gallië eeuwenlang geïmporteerd uit Italië en pas na de bezetting door de legioenen van Jules César in het land zelf verbouwd.  De wijnteelt verspreidde zich vervolgens snel over het hele land - eerst langs de Rhône-dal - zodat het middeleeuwse Frankrijk de grootste wijnproducent en exporteur werd, met als voornaamste productieregio… Parijs en het Isle-de-France (Italië zou haar kampioenstitel pas in 2008 herwinnen). De stuwkracht achter die vlotte verovering was het Christendom: ‘le sang de la terre’ van de heidenen was immers ‘le sang du Christ’ geworden, en de behoefte aan ‘vin de messe’ maakte dat elk klooster er een behoorlijk wijngaard op nahield. Dom Pérignon, de uitvinder van de méthode champenoise, was dan ook een benedictijnse monnik.

...lees verder "Le bon alcool"

Er liggen in de Meurthe-et-Moselle drie dorpen met de naam Tramont, vlakbij elkaar, netjes op een rijtje in een halve cirkel in het uiterste zuidwesten van het departement. Van west naar (zuid)oost: Tramont-Saint-André,

Van links naar rechts: Tramont-Saint-André, Tramont-Émy, Tramont-Lassus
Van links naar rechts: Tramont-Saint-André, Tramont-Émy, Tramont-Lassus

Tramont-Émy en Tramont-Lassus. Tramont is een van oorsprong Romaanse (en dus Latijnse) naam, een samenstelling van het voorzetsel trans ‘aan de andere kant van’ en het zelfstandig naamwoord mons ‘berg, heuvel’. De oudst aangetroffen vorm stamt uit de dertiende eeuw: Tramons ad fontem (1235), voor Tramont-Saint-André.

Aan de andere kant van de berg”, dus, of misschien is de term heuvel wat meer van toepassing in dit deel van Lotharingen. Maar aan de andere kant ten opzichte van waar? Omdat de drie dorpen in een halve cirkel om de heuvel liggen die hen van Vicherey scheidt, ligt het voor de hand om aan te nemen dat die andere kant opgevat moet worden als gezien vanuit Vicherey.

...lees verder "Aan de andere kant van de heuvels"

1

Chétif. Het is een woord dat u waarschijnlijk niet elke dag gebruikt. Het is dan ook enigszins literair Frans. De oudste vermelding in een Franse tekst stamt uit 1080; het woord komt dan voor in het Roelantslied (Chanson de Roland) als chaitif, een directe afleiding van het Latijnse woord captivus, “gevangene, slaaf” – en in deze Oud-Franse tekst is dat ook nog de betekenis. Zo’n gevangene is natuurlijk maar een arm figuur, verzwakt waarschijnlijk ook, en zeker ongelukkig: naar die begrippen glijdt vervolgens de betekenis van het Middeleeuwse chétif : pauvre, faible, malheureux. In hedendaagse literaire teksten is dat nog steeds de betekenis, en vaak kan het ook vervangen worden door maigrichon of rabougri. Een vrij negatieve connotatie dus, een bijvoeglijk naamwoord dat je jezelf niet graag toekent. Toch komt de term nog steeds in een aantal hedendaagse Franse gemeentenamen voor, zonder dat hen dat lijkt te storen.

In Presly (18) stoorde het waarschijnlijk wél, want daar is het woord chétif in de loop van de negentiende eeuw verdwenen: in 1801 wordt de gemeente nog vermeld als Prély-le-Chétif. Presly heeft als voordeel dat het het enige Presly van Frankrijk is: een onderscheidend tweede gedeelte is dus niet nodig en kon makkelijk weggelaten worden. In het departement Moselle, niet ver onder Metz, liggen twee dorpen die allebei Pournoy heten (betekenis: plek waar pruimenbomen groeien, pruimenboomgaard), slechts enkele kilometers uit elkaar. Daar moest wel een onderscheidende uitbreiding bijkomen, anders is het lastig om beide dorpen uiteen te houden. En inderdaad, in 1404 heeft men het over Prenoy la Chaitifve, tegenwoordig Pournoy-la-Chétive … en het buurdorp heet Pournoy-la-Grasse. Hier is het verschil in rijkdom, of kwaliteit van de bodem, wel erg duidelijk onderstreept. Want zeg nu zelf: waar zou u het liefste wonen?

Ook in Rouvres-la-Chétive (88, ter onderscheiding van Rouvres-en-Xaintois), Montreuil-le-Chétif (72, ter onderscheiding van zeker vijf andere Montreuils in de Sarthe), Verneil-le-Chétif (72) et Pruillé-le-Chétif (72) lijkt het vrij negatieve achtervoegsel niemand te storen. Er moet bijgezegd dat voor Montreuil-le-Chétif gezegd wordt dat het -le-Chétif slaat op echte gevangenen (captifs), die met de opbrengsten van de kerk aldaar zouden zijn vrijgekocht, maar dat is helemaal niet zeker. Natuurlijk heeft elk dorp zo z'n redenen gehad om Chétif/Chétive in de naam te krijgen, en vaak weten we over beweegredenen niets meer. Was het ooit toch positief? Ligt er een anekdote aan ten grondslag?

Aubigny-le-Chétif (58)
Aubigny-le-Chétif (Nièvre)

Diennes-Aubigny (58) is een fusienaam, daterend uit 1862; het opgeslokte Aubigny-le-Chétif (in 1404 vermeld als cura de Albiniaco Captivo) had in 1806 slechts 90 inwoners … en is nog steeds niet erg groot.

We kunnen aan dit rijtje ook nog Villechétive (89) toevoegen, in 1453 vermeld als villa nova captiva, maar niet Villechétif (10). Dit onder de rook van Troyes gelegen dorp wordt in oudere vormen vermeld als Villachet en Villa Chestini en is een samenstelling van villa = “boerderij, nederzetting, dorp” en de Germaanse persoonsnaam Heito of Heddo – waarbij vervolgens het woord chétif wel een aantrekkende rol heeft gespeeld, misschien ter vergelijking met de nabijgelegen rijke stad Troyes.

Binnenkort meer over negatief klinkende namen die wél veranderd zijn.

2

Wy-dit-Joli-VillageMisschien bent u er bij toeval al eens doorheen gereden, en is de bijzondere naam u opgevallen: Wy-dit-Joli-Village (Val-d’Oise) is de enige officiële huidige Franse gemeentenaam waarin een bijnaam (Joli-Village = mooi dorp) rechtstreeks aan de oorspronkelijke naam (Wy) wordt gekoppeld, door middel van ‘dit’, genaamd. De naam Wy-dit-Joli-Village is zelfs dubbelop, al wordt dat allang niet meer zo gevoeld: de naam ‘Wy’ betekent óók village. Het dorp wordt in de XIIe eeuw vermeld als Huis, vervolgens in 1337 als Vy, en deze naam is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van het Latijnse vicus, wat zoveel betekent als groep huizen, dorp.

Dorp-genaamd-Mooi-Dorp, dus, maar hoe komt een dorp aan zo’n bijnaam? Zoals Sylvain Lelarge hier al eerder schreef, is Henri IV (1553-1610) bij Fransen een zeer populaire koning, die veel sporen in het collectief geheugen heeft achtergelaten, en aan wie vele legendes en bons mots zijn toegedicht. Zo ook de bijnaam van Wy, volgens de legende dan toch. Op een mooie dag in 1590 – de legende is erg precies – was Henri IV op jacht in de Vexin, toen hij toevallig door dit dorp kwam. Hij vroeg aan een dorpeling waar hij was, en toen deze antwoordde ‘In Wy’, zou Henri IV hebben uitgeroepen: « Oh, wat een mooi dorp! » … de bijnaam is gebleven. Zou het waar zijn? We zullen het nooit zeker weten, maar het blijft een mooi verhaal, waarvan de kern ook gebaseerd zou kunnen zijn op het feit dat Wy lang een overwegend protestants dorp is geweest – net als Henri IV voordat hij koning van Frankrijk werd; de resten van een oud protestants kerkhof, in gebruik van 1560 tot 1823, herinneren hier nog aan.

Om het verhaal compleet te maken: dit voormalige kerkhof ligt in het gehucht Enfer (hel), wat misschien wel zo genoemd is door de katholieken omdat juist dáár het protestante kerkhof was. enfer bisHoe het ook zij, enige zelfspot kan het gemeentebestuur niet ontzegd worden: de huidige wapenspreuk van de gemeente luidt, in het Latijn: lepidus vicus ac infernus vicinus. Het dorp is mooi, maar de hel is nabij.

Zoals u waarschijnlijk wel weet, heten één-aprilgrappen in het Frans aprilvissen: poissons d’avril. En ondanks dat de precieze datum niet in de naam zit, komen deze vissen uitsluitend op de eerste dag van de maand april voor. Deze precieze datum kan echter ook aanleiding zijn tot andere ludieke ideeën. Zo had op 1 avril 1976 een presentatrice van een regionale Lotharingse radio het idee om inwoners uit de gemeenten Avril avril-poissons(Meurthe-et-Moselle) en Poissons (Haute-Marne) tegelijkertijd achter haar microfoon te nodigen. De voorzitters van de voetbalclubs hielden contact, en daaruit werd een band geboren: beide dorpen zijn tegenwoordig jumelés. Sindsdien heeft de burgemeester van Avril wel eens beweerd dat het niet om de woordspeling gaat, maar om het feit dat de twee dorpen vergelijkbaar zijn, qua inwoners, qua ligging op het platteland, qua geschiedenis … maar het is véél leuker om het op de samenvoeging poisson(s) d’avril te houden.

En dat terwijl de naam Avril natuurlijk niets met de maand te maken heeft, en Poissons niets met vissen. Beide namen worden traditioneel verklaard vanuit een persoonsnaam, waarvan men kan aannemen dat het een oorspronkelijk bewoner of eigenaar betrof. Voor Avril (Oriulmarum, 1096, Awerey, 1363) kan dat de Germaanse persoonsnaam Avremarus zijn, later ingekort. De Romeinse naam Aprilis, die wordt gebruikt voor het verklaren van Avril-sur-Loire (58) is gezien de oude vorm minder waarschijnlijk. Voor Poissons, in 863 vermeld als in Piscione villa (de associatie met de vissen is al van hoge leeftijd), zou dat de Romeinse persoonsnaam Pistius of Piscius kunnen zijn, als voor de Bourgondische gemeente Poisson (71). Recenter is deze laatste naam echter ook verklaard vanuit de wortel van het woord paître, grazen, en de naam uitgelegd door de aanwezigheid van groene weiden die dienden om vee te laten grazen.

In de toponymie weet je zelden iets zeker; het gegeven dat la commune d’Avril est jumelée avec la commune de Poissons komt – wat de echte betekenis ook zij – op de meeste Fransen simpelweg komisch over.

1

Met het schaamrood op de kaken moet ik iets opbiechten. Toen ik dertig jaar geleden in Schotland ‘mijn’ Nederlandse schone - letterlijk - tegen het lijf liep, wist ik niets van Nederland, niet eens waar het lag. Ergens in het noorden… Beschamend? Zeker, maar niet alleen voor mij, want het bleek dat dit gebrek in mijn generatie meer regel dan uitzondering was. Wat wilt u ? Pas rond mijn dertigste drong het tot me door dat er nog een andere Geschiedenis bestond dan de Histoire de France

Vandaag de dag weten de jonge Fransen – gelukkig? – de weg naar Nederland wel te vinden, tenminste tot de eerste koffieshop. Maar daar houdt het ook mee op: hun krasse onwetendheid is zelf de toenmalige mijne ontstegen. Niet één van hen zal bijvoorbeeld iets vermoeden van een historische link tussen Nederland en wat nu Indonesië heet. De pracht en het leed ervan gaat hen helemaal voorbij.

Ik koester het denkbeeld dat Nederlanders veel meer gericht zijn op de wereld dan Fransen. En dat jullie dus goed op de hoogte zijn van een andere historische link, namelijk die tussen Frankrijk en de Noord-Afrikaanse landen in het algemeen, en Algerije in het bijzonder.

Algerie conquete

Oh, is het niet zo? Roept het eigenlijk voor u weinig meer op dan couscous (en is dat niet Marokkaans?)?...

Ja, ja… Nu voel ik plaatsvervangende schaamte en moet ik er dringend iets aan doen, want zó een wezenlijk deel van de Franse cultuur - en taal - mag géén Francofiel over het hoofd zien.

Algerie le petit colonEerst de context. De Middellandse Zee, ooit Mare Nostrum van het Romeinse Rijk, is tijdens de Middeleeuwen bijna helemaal Islamitisch gebied geworden. Niet alleen in heel Noord-Afrika, maar ook in Spanje, in Sicilië, in sommige Provençaalse steden zoals Nice, in het Midden-Oosten en daarna - met het oprukken van het Ottomaanse Rijk, dat wel 500 jaar stand heeft gehouden – ook in Griekenland en tot in de Balkan, zijn er sporen te bewonderen van die toenmalig heersende beschaving. Het tegenstribbelen van de christenen, de veroveringen van de Vikingen, en vooral de gedreven en bedreven handel tussen alle betrokkenen maakte van dat binnenmeer een bouillon de culture die voortdurend het kookpunt nabij was.

Wij schrijven 1827. De Barbaresques, piraten en slavenhandelaren hebben als port d’attache Alger-la-Blanche, een protectoraat van de Ottomaanse Sultan. De Fransen hebben daar een handelspost, die ook dient als consulaat. Bijna een kwart van de 100 000 bewoners van Alger zijn namelijk christenen, meestal slav(in)en, maar ook gijzelaars, wachtend op hun losgeld, en dat steekt. Als de Franse Consul op een dag door de lokale potentaat met een vliegenmepper geslagen wordt, is de maat vol. Drie jaar later is Algerije Frans gebied, en in 1848 wordt het zelfs een Frans département, jaren eerder dus dan bijvoorbeeld de Savoie en de Haute-Savoie (1860).

Daarom, terwijl heel Noord-Afrika en een groot deel van Zwart-Afrika vervolgens door Frankrijk veroverd wordt – en al die koloniën het ‘vaderland’ tot twee keer toe uit de oorlog redden - bleef voor vele Fransen Algerije de geliefde achtertuin, een onlosmakelijk stukje thuis onder de zon. Het loslaten werd ook bijzonder pijnlijk, wat tot de jarenlange verschrikkingen van de Guerre d’Algérie leidde, met in 1962 een dubbel drama als ontknoping: die van de verjaagde lokale blanken (les Pieds-noirs, die niet makkelijk konden aarden in la métropole) en die van de Harkis (Algerijnen die in het Franse leger dienden, en van wie de meesten - nadat zij achtergelaten waren door het Franse leger – door de rebellen werden afgeslacht).

De invloed van de Arabische beschaving op het middeleeuwse Frans is groot, en in het bijzonder in een aantal gebieden: de plantenkunde (met allerlei kruiden – estragon… – vruchten – abricot, orange, pastéque… – en groenten – artichaut, aubergine, potiron…), de keuken (met niet alleen de bekende couscous, maar ook o.a. de taboulé*, de merguez*, de méchoui*… en de caramel),  de kleding (gilet*, babouche*, savate*, jupe, châle…), de paardenkennis, de sterren- en wiskunde. Want waar zouden onze geleerden zijn zonder onze huidige Arabische chiffres, de algebra en de algoritmes, en vooral de onmisbare zéro en de oh zo variabele X? En onze musici zonder guitare noch luth? Niet al die woorden komen trouwens uit het Arabisch (ongeveer 500 wel) maar wel via het Arabisch uit het Farsi (‘Iranees’), het Turks, het Hindi… Via het Arabisch komen wij aan onze broodnodige café (en zijn tasse (kopje)), alcool et… haschisch (en dus aan het woord assassin (moordenaar)…) En al onze kiosks, magasins (tot hun sacs (tassen) toe) - en zelfs onze bureaux de douane - kunnen wij beschouwen als Arabisch linguïstisch erfgoed.

Vous parlez plus d’arabe que vous le pensez…

Van een hele andere orde zijn de vele – familiaires – woorden die de negentiende-eeuwse Franse militairen met zich meenamen uit de Campagnes de Pacification en die het dagelijkse Frans ingeslopen zijn. Het is soldatentaal en gaat dus over soldatendingen. De eindeloze tochten langs de Algerijnse bleds (verloren dorpjes) met de hele barda (bepakking) op de rug. Het eten in een boui-boui (restaurantje) waar alles met een bakchich (smeergeld) te regelen valt. Soldaten doen de vreemde dialecten van de lokalen als charabia (wartaal) af en zien hun omslachtige omgangsvormen voor salamalec*... Aan de politiek hebben zij geen boodschap: voor hen is alles kif-kif (om het even) en met de baraka (mazzel), worden zij gauw licht verwond, net genoeg om door de toubib (arts) naar huis gestuurd te worden. Maar als het erop aankomt, weten zij toch hun mannetje te staan, als het moet tot de baroud d’honneur (tot het bittere eind blijven vechten, voor de eer)!

Alors, parlez-vous françarabe? Eh bien… oui, un chouia (een héél klein beetje)!

* Petit lexique arabo-français:

  • Le taboulé est une salade de couscous aux tomates et à la menthe, très rafraichissante en été
  • Une merguez est une saucisse très épicée, normalement de mouton
  • Un méchoui est un mouton entier cuit à la broche
  • Le gilet est ce que les Néerlandais appellent ‘een vestje’ alors qu’une veste est leur ‘colbert’ (Colbert étant un ministre de Louis XIV)
  • Les babouches sont des chaussures légères ouvertes à l’arrière et avec une extrémité longue et repliée
  • Les savates sont de simples pantoufles de cuir ouvertes à l’arrière. C’est aussi le nom de la boxe française, qui autorise les coups de pied
  • Salamalec: de l’arabe As-salâm 'aleïkoum ‫السلام عليكم « Que la paix soit sur vous... », salutation des musulmans, les salutations traditionnelles durant bien longtemps par rapport aux françaises.

Sylvain Lelarge

2

Naast voor zichzelf sprekende plaatsnamen als Moulins (préfectuur van de Allier, bijvoorbeeld, maar ook elders voorkomend) zijn er ook een hoop verborgen (water)molens in het Franse landschap te vinden. Namen als Choisel, Bécherel, Coquerel, Quincampoix: ze duiden zo goed als altijd een watermolen aan, verdwenen of nog bestaand. Meestal gaat het om microtoponiemen: de naam van de molen zelf of het buurtschap bij de molen. In enkele gevallen is bij de molen een heel dorp ontstaan, en is de (bij)naam van de molen op de woongemeenschap overgegaan.

Watermolen 'Moulin du Boël' aan de Vilaine, ten zuiden van Rennes, omstreeks 1900 (A. Lavieille)

De namen Choisel (02, 60, …) en Choiseau (10, 77, …) komen vooral als microtoponiem voor, op een enkele gemeentenaam als Choisel (78) na. Oorspronkelijk is een choisel in het oud-Frans een wateremmer op het waterrad van een watermolen. Een hele technische vooruitgang ten opzichte van oudere waterraderen met enkel een schoepblad. Choisel komt van het laat-Latijnse ‘caucellum’, beker. Van zo’n enkele wateremmer is de naam via een synecdoche overgegaan op de hele molen. De gemeentenaam Choiseul (52, in 1084 de Causeolo) is een variant met het achtervoegsel -(i)eul in plaats van -el.

De naam Bécherel (35 en elders) zou op ditzelfde idee terug kunnen gaan, vanaf het laat-Latijnse bicarius, met een achtervoegsel -ellus. Een wijder verbreide uitleg geeft echter een meer tot de verbeelding sprekende oorsprong: het oud-Franse woord ‘bécherel’ of ‘becquerel’, dat een mannelijke variant is van ‘becquerelle’, kletskous, babbelaar, kwebbel. De beeldspraak kan op twee manieren uitgelegd worden: het geluid van de watermolen, of het feit dat het hele dorp elkaar bij de watermolen uitmoette, en tijdens het malen van het graan tijd genoeg had om alle nieuwste roddels uit te wisselen. Béchereau (77, gem. Poigny, in 1214 molendinum de Becherel) is een fonetische variant, en in Picardië wordt de -sj-klank een -k-: Becquerel (60, gem. Blicourt, in 1289 le moulin de Bequerel), maar ook (Boiry-)Becquerelle (60), of Le Moulin Becqueriaux (59, gem. Bazuel).

Ook de naam Coquerel (80, oude vorm Cokerellum) kan gebaseerd zijn op een onomatopee: het Picardische ‘coquerel’, ‘coquereau’ betekent jonge haan of haan. In het getiktak van de molen kan men – met een beetje fantasie – het geluid herkennen dat een jonge haan maakt als hij zijn kippen roept. Net als Bécherel bij Becquerel, bestaat er ook een vorm Cocherel (77); in Boissy-le-Sec (28) komt al in 1130 een molendinum de Cocherel voor.

Molenaars hadden niet altijd een goede naam en werden er vaak van beschuldigd graan achter te houden, of gierig te zijn. Namen als Tolsac (28, gem. Tréon) of Taussac (60, gem. Marseille-en-Beauvaisis) spreken voor zich: oud-Frans ‘tol’ betekent stelen, wegnemen, ‘sac’ duidt de zak met graan aan. Panassac (32, in 985 Furo Sacco) heeft hetzelfde idee in zich, met het gasconse ‘pane’ dat dezelfde betekenis heeft. In de Mayenne bestaan twee watermolens met de sprekende naam Gratte-Sac (gem. Voutré en Villaines-la-Juhel). De molenaar was hier waarschijnlijk zó gierig, dat hij het onderste uit de zak haalde.

Quincampoix (76) en Quinquempoix (60, in 1217 Cuikempoi), net als vele buurtschappen en straatnamen met min of meer dezelfde spelling, duiden van oorsprong ook een molen aan. Het bijzondere van deze naam is dat het oorspronkelijk een zinnetje was: cui qu’en poïst. In de oude vorm van Quicampois (59, gem. Bazuel) is dit zinnetje nog goed herkenbaar: molendinum quod Quikenpoist appellatur (1218 lat. = de molen die Quikenpoist genoemd wordt). De molenaar was niet altijd een geliefd figuur: niet bij z’n concurrent-molenaars als hij water tegenhield, en ook niet bij de dorpelingen, zoals hierboven reeds vermeld. Het zinnetje (met een oude subjonctiefvorm van peser in de figuurlijke betekenis last hebben van, mishagen, tegenstaan) betekent zoveel als : « Wie het ook zij (aan) wie het mishaagt » (Jammer dan voor degenen die het niet bevalt. / Het is nergens voor nodig om te klagen, je hebt toch geen keus, de molenaar heeft het toch voor het zeggen, je bent van hem afhankelijk). En dat was zo: je moest je graan wel aan de molen laten malen, of je het nou leuk vond of niet.

En tja, als molenaar aan een klein beekje wil je natuurlijk wel dat er water in je beekje zit, om het waterrad te laten draaien. Regen is dus meer dan van harte welkom: Écoute s’il pleutRegent ‘t al? Je ziet als het ware de molenaar zijn oren spitsen, om te luisteren of het al regent. Ook dit zinnetje is in het landschap terechtgekomen als toponiem, altijd voor een (voormalige) watermolen, bijvoorbeeld Écoute-S’il-Pleut in Savigny-sur-Braye (41), maar ook de boulevard de l’Écoute-S’il-Pleut à Évry (91)…

1

Frankrijk kent, vanwege de grootte van het land, veel toponiemen die meerdere malen voorkomen. In de vroege Middeleeuwen was het niet erg, omdat men zelden of nooit buiten de grenzen van het eigen dorp of de eigen stad kwam. Wat later werd het al lastiger, en toen de posterijen steeds meer belang kregen, werd de roep om onderscheiding van homoniemen steeds sterker. Veel dorpen en steden maten zich een toevoegsel aan, de naam van de streek bijvoorbeeld, de naam van de rivier, een karakteristiek gebouw, noem maar op, de voorbeelden zijn legio. Vaak zijn het ook persoonsnamen, meestal de naam van een Middeleeuwse edele, heer van het dorp. Veel zeldzamer zijn namen van recentere beroemdheden. De officiële instelling die over gemeentenamen gaat, de Commission de Révision des noms de communes, is er – terecht – niet zo happig op om beroemdheden te eren in plaatsnamen. Toch zijn er enkele recente voorbeelden.

De laatste dateert van 1983, toen de gemeente Champagne-de-Blanzac (16), na vijf jaar onderhandelen, erin slaagde haar naam te laten veranderen in Champagne-Vigny, naar de beroemde schrijver en dichter Alfred de Vigny, die bij dit dorp een kasteel bezat. Iets minder recent – en niet echt een nieuwe toevoeging – dateert uit 1976, toen Logrian-et-Comiac-de-Florian (30) haar naam officieel liet verkorten in Logrian-Florian. Men was blijkbaar erg gesteld op de herinnering aan Jean-Pierre Claris de Florian, geboren in het gelijknamige kasteel in het dorp, achterneef van Voltaire en in de achttien eeuw een bekend dichter en fabelschrijver. Voltaire zelf wordt geëerd in Ferney-Voltaire (01), waar hij lange tijd gewoond heeft. Deze naam is echter al meer dan twee eeuwen oud, en dateert uit 1793 – dus bij leven van de schrijver zelf nog! – toen de naam van Voltaire door de Convention aan Ferney werd toegevoegd, in het kader van de uitgebreide namenrevolutie die volgde op de Franse Revolutie – en waarover ik binnenkort een artikel zal schrijven. Michel de Montaigne woonde in Saint-Michel in de Dordogne, dat tegenwoordig Saint-Michel-de-Montaigne heet. De naam van de parochieheilige is hier – volkomen toevallig – ook Michel, waardoor het kan lijken dat de schrijver zelf heiligverklaard zou zijn. Maar dat is natuurlijk maar schijn. Verder woonde Alphonse de Lamartine in zijn kinderjaren in Milly (71), tegenwoordig Milly-Lamartine.

Vijf voorbeelden dus van schrijvers die in het landschap terug te vinden zijn.

Honorat de Bueil, seigneur de Racan
Honorat de Bueil, seigneur de Racan

Een zesde heeft het verder gebracht dan zijn confrères… De betrekkelijk onbekende schrijver en dichter Honorat de Bueil de Racan leeft nog steeds voor in maar liefst twee gemeentenamen. Zijn geboorteplaats Aubigné (72) heet sinds 1934 officieel Aubigné-Racan, en Saint-Paterne-Racan (37) heeft zijn naam toegevoegd omdat de dichter daar een kasteel bezat, dat hijzelf overigens omdoopte tot La Roche-Racan.

Twee bijzondere vermeldingen, voor Illiers-Combray (28) en voor Terre-Natale (52). Terre-Natale bestaat sinds 1 januari 2012 niet meer: het was de fusienaam van de 1972 gefuseerde  gemeenten Varennes-sur-Amance, Chézeaux en Champigny-sous-Varennes, die gedeeltelijk ontbonden werd in 1986 en geheel aan het begin van dit jaar. Terre natale was de bekendste autobiografische roman van de schrijver Marcel Arland, geboren in Varennes-sur-Amance.

En met Illiers-Combray komen we bij Marcel Proust terecht. Zijn roman Du côté de chez Swann speelt zich grotendeels af in Combray, een naam die Proust opgedaan had in Normandië, maar waarmee hij Illiers in de Eure-et-Loir beschreef, waar hij als kind vaak zijn vakanties doorbracht bij zijn oudtante. In 1971 kreeg Illiers toestemming de gemeente voortaan Illiers-Combray te noemen – als enige Franse gemeente met een fictieve literaire toevoeging.


Onze kleine etnische wandeling door Frankrijk was nog niet afgelopen. We zijn al een stelletje Germanen tegenkomen, Franken, Bourgondiërs, Saksen…  Maar nog andere volken hebben in min of meerdere mate een toponymisch spoor achtergelaten in Frankrijk.

Zo liet een groep Slaven uit Slavonië in het huidige Kroatië lieten hun sporen na in Esclavelles (76). Écuisses (71) is een oud *villa scottia, waar vermoedelijk Schotten woonden. Beugin (62), in 1025 vermeld als Belgicus, zou een nederzetting van Belgische origine kunnen zijn. In Gandalou (82, gemeente Castelsarrasin) en in Villevoindreux (45, gemeente Épieds-en-Beauce) woonden Vandalen. Sueben uit Midden-Duitsland hebben hun naam achtergelaten in Zouafques (62), Écoivres (62) en waarschijnlijk ook in Schwoben (68).

Toen de Noormannen in Normandië kwamen wonen, namen ze in hun kielzog een aantal Britten en Angelen mee. Deze Britten en Angelen waren zowel voor de inheemse bevolking als voor de Noormannen vreemdelingen. De nederzettingen die gesticht of bevolkt werden door Britten (uit Groot-Brittannië) werden dan al gauw ter onderscheiding naar deze vreemdelingen vernoemd. Het grote aantal dorpen met de naam Bretteville in Normandië – nooit echt ver van de kust verwijderd – is tekenend, en het zestal dorpen met de naam Anglesqueville of Englesqueville betreft nederzettingen waar Angelen waren neergestreken (zie hieronder voor een complete lijst). Het achtervoegsel -ville, van het Latijnse ‘villa’ betekent oorspronkelijk "boerderij, ruraal domein, kleine nederzetting". Waarschijnlijk komen ook de Britten van Bretagne (36) en Bretagnolles (27) uit Groot-Brittannië, maar een plaats als Bretenières (21) is recenter: deze ‘Britten’ waren waarschijnlijk afkomstig uit Klein-Brittannië, Bretagne zeg maar … en hetzelfde geldt voor Villers-Bretonneux (80).

De Sarmaten waren een riddervolk uit het Nabije Oosten, waarschijnlijk verwant aan de Iraniërs of de Osseten. Zij dienden vaak in het Romeinse leger, en zijn op die manier ook in Gallië terechtgekomen. Lang is gedacht dat een hele reeks plaatsnamen wezen op hun aanwezigheid: zo gaan Salmaise (21), Sermages (58), Sermesse (71), Sermaize (60), Sermoise (62) en nog een aantal plaatsen meer terug op een gereconstrueerde oude vorm *sarmatia of *sarmasia, die woonplaats van de Sarmaten zou kunnen betekenen. Dit is echter niet zeker, en andere theorieën zijn ook mogelijk: zo zou ‘sarmasia’ een oude (pre-)Keltische wortel kunnen bevatten die “heuvel” betekent – veel van deze dorpen liggen op een heuvel. Hetzelfde geldt voor de Marcomannen, een Germaans volk uit Thüringen, waarvan men vaak heeft gedacht dat zij hun sporen hadden nagelaten in Marmagne (18 en 21, de laatste vermeld als Marcomannia in 723). De stam *marco- kan echter ook “moeras” betekenen: beide plaatsen liggen in een vochtige omgeving.

Niet van de volksnaam, maar van de landnaam Spanje (Hispania) zijn ook sporen achtergebleven, voornamelijk in het westen van Frankrijk. In 1240 werd Épanne (79) vermeld als Hyspania, en ook Épeine (86) kent een oude vorm ‘de Hispaniis’ (rond 1090). Épaines (27) kan aan dit rijtje toegevoegd worden. Ook de oude vorm van Mortagne-sur-Sèvre (85), in 968 vermeld als Mauretania, is een vernoemingsnaam naar een gebied, of naar inwoners die daar vandaan kwamen: we moeten deze naam begrijpen als “nederzetting waar Moren wonen”, net als Mortagne-au-Perche (61) en Mortain (50). Het zou kunnen dat hetzelfde geldt voor Mormaison (85), in 1085 vermeld als Moresmesons.

 

Nota: Om nu helemaal compleet te zijn, alle bestaande en voormalige gemeenten in Normandië die Bretteville of Anglesqueville als naam dragen:

Calvados : Bretteville-le-Rabet, Bretteville-l’Orgueilleuse, Bretteville-sur-Bordel, Bretteville-sur-Dives, Bretteville-sur-Laize, Bretteville-sur-Odon, Englesqueville, Englesqueville-en-Auge, Englesqueville-la-Percée.

Manche : Bretteville-en-Saire, Bretteville-sur-Ay.

Seine-Maritime : Anglesqueville-l’Esneval, Anglesqueville-la-Bras-Long, Anglesqueville-sur-Saâne, Bretteville-du-Grand-Caux, Bretteville-du-Petit-Caux (Varneville-Bretteville), Bretteville-Saint-Laurent.

1

En nee, dan hebben we het niet over de Nederlandse francofielen die deze site bezoeken. Verder is dit artikel absoluut niet actueel en heeft het ook niets met de Emigratiebeurs te maken. Toch is emi- en immigratie van alle tijden. Dit stuk (en het volgende) gaat over immigratie in het huidige Frankrijk in de vroege Middeleeuwen, pakweg van de Grote Volksverhuizingen tot aan de slag bij Hastings (1066) – en dan alleen over die volken die hun naam (waarschijnlijk) hebben achtergelaten in de huidige Franse toponymie. Over de Keltische stammen van voor de vijfde eeuw hebben we het al eerder gehad.

In de voorbeelden die hieronder volgen gaat het om plaatsen die de naam van een oud volk dragen, dat op een gegeven moment in de geschiedenis werd beschouwd als immigrant in Frankrijk. Een plaats waar afstammelingen van zo’n volk woonden kon als opvallend kenmerk zeker vernoemd worden naar dat volk. Het was de boerderij, het domein, het dorp dat gekenmerkt was door een ‘vreemde’ aanwezigheid. Een kleine etnische wandeling dus… Het is echter ook een gevaarlijk onderwerp, want we weten nooit 100% zeker of het écht om (een lid van) het volk gaat, of dat de plaatsnaam afgeleid is van een persoonsnaam of een familienaam, die al dan niet direct met de volksnaam in verband staat. Deze slag om de arm spreek ik alleen hier uit, maar u mag hem bij zo goed als alle voorbeelden in gedachten houden.

Veel van deze volken zijn van Germaanse oorsprong, zoals bijvoorbeeld de Franken, die niet alleen hun naam aan het land Frankrijk hebben gegeven, maar ook aan verschillende plaatsnamen, zoals Francourt (60, in 1010 Francorum curtis), het "domein der Franken". Francourt hoorde bij het Frankische paleis in Verberie. Verder ook Francarville (31) en Francourville (27 en 28). Villefrancœur (41, in de 10e eeuw villam francori) heeft dezelfde betekenis en oorsprong, alleen is hier de volgorde Romaans. Francs (33, in de 11e eeuw ad Francos) betekent eenvoudigweg “bij de Franken”. De overkoepelende naam der Germanen vinden we terug in Germaine (02 en 51). De eerste plaats werd in 1135 vermeld als Germania. Ook in Germainvilliers (52) is dit volk waarschijnlijk terug te vinden.

De Goten hebben ook veel sporen achtergelaten, vooral in het zuidwesten van Frankrijk. Het gaat hier naar alle waarschijnlijk om Wisigoten. We vinden ze terug in Gouts (40), in Goutz (33 en 47) en in Goux (32), maar ook in Goudourville (82, in 846 reeds vermeld als villa gothorum). Villegouge (33) hoort vermoedelijk ook bij dit rijtje. Elders in Frankrijk kunnen we Goux-lès-Dambelin (25) noemen, of bijvoorbeeld Montgueux (10, in 1152 Montguor). De Taifali waren verwant aan de Gothen, zij lieten hun naam na aan Tiffauges (85) – de streek hier werd in de vierde eeuw vermeld als Teofalgicus pagus.

Behalve aan de landstreek lieten kolonies van het Germaanse volk der Bourgondiërs ook hun naam na aan Bourgogne (51), een zeer oude plaats, in 877 vermeld als Burgundia, aan Bourguignons (10, in 871 Bulgundio, het achtervoegsel dateert pas uit later tijd), en aan Bourguenolles (50). De ons wel bekende Saksen vinden we terug in Soissons-sur-Nacey (21), maar niet in Soissons (02) dat de hoofdplaats was van een Keltische stam. Sissonne (02) was vermoedelijk wel een plek waar Saksen neergestreken waren, net als Saisseval (80), dat begrepen moet worden als de “vallei der Saksen”. In Bretagne woonden er Saksen in Cesson-Sévigné (35, in 1153 Saxon) en op Belle-Île, waar Sauzon (56) de Bretonse vorm Saozon laat voortduren. Ook de Alemannen lieten veel sporen na: Allemagne-en-Provence (04) bijvoorbeeld, Alamannia in 1182, maar ook Allemagne (86), Allemans-du-Dropt (47), Allemant (02), Les Allemands (25), Allemanche (50) en Almenêches (61), om er enkele te noemen - waarbij blijkt dat ze in alle hoeken van Frankrijk zijn geweest. La Maigne (86) hoort er trouwens ook bij: in 1080 vermeld als terra qua dicitur Alemania. Vervolgens is het eerste gedeelte begrepen als een lidwoord, en verkeerd afgekapt. Fleury-sur-Orne (14) heette voor 1917 ook Allemagne; tijdens de Eerste Wereldoorlog viel deze naam echter niet zo goed, en is ze vervangen door de naam Fleury, als herdenking van een verwoest dorp in de Meuse, tegenwoordig Fleury-sous-Douaumont. Brinon-sur-Beuvron (58) heette vóór 1871 Brinon-les-Allemands… maar ook die Frans-Duitse oorlog heeft dus z’n sporen achtergelaten in de toponymie.

Nog meer andere volken hebben ook hun sporen nagelaten in de Franse toponymie, zoals bijvoorbeeld de Britten, de Spanjaarden en de Vandalen. Daarover later meer.

Je zou zeggen dat een kruispunt van wegen een ideale plek is voor het stichting van een nederzetting. En dat klopt ook, al hebben die kruispunten relatief weinig toponiemen opgeleverd. Waarschijnlijk was het verschijnsel te gewoon, en daardoor niet onderscheidend genoeg om een plaats te benoemen. Wel is het een verschijnsel dat erg vaak voorkomt in de microtoponymie (namen van buurtschappen, gehuchten, boerderijen), maar die zijn vaak van recenter datum. Dit artikel gaat over plaatsnamen die teruggaan op een woord voor kruispunt – en waarvan je kunt verwachten dat ze gesticht zijn op een plek waar twee (of meer) wegen elkaar kruisten.

Het huidige Frans gebruikt carrefour, dat we vaak terugvinden in namen van buurtschappen als Le Carrefour, maar niet in dorpsnamen. Dit woord gaat terug op Latijn quadrifurcum, letterlijk ‘vier vorken’. Het Oud-Frans gebruikte echter niet dit woord, maar carroge of carrouge, dat teruggaat op het Romaanse quadruvium, een bijvorm van het Volkslatijnse quadrivium. Te begrijpen: vier wegen, dus kruispunt. Dit carro(u)ge heeft wél een aantal toponiemen opgeleverd: Carrouges (61) natuurlijk, bekend van het kasteel, maar ook Charroux (86, in 876 Karrofium) en Quarouble (59), met lokaal beïnvloede andere fonetische ontwikkelingen. Carrouge komt ook vaak voor als microtoponiem, in een brede band in de noordelijke helft van Frankrijk, bijvoorbeeld in Saint-Germain-de-la-Coudre (72) of Gevingey (39). Niet altijd werd deze vorm goed begrepen door de kadasterambtenaren die namen moesten optekenen: zo vinden we in de buurt van Orléans een aantal gehuchten met de bijzondere naam Le Cas Rouge – maar dat is slechts een verkeerde schrijfwijze voor carrouge. Regionale varianten, beïnvloed door de plaatselijke taalontwikkelingen, zijn bijvoorbeeld Le Quéroy (16), Le Quéreux (17) en Le Queyroix (87). In de Loirestreek vinden we vaak de vorm Le Carroir (36, 37, 41) en ook de bekende Rue du Grand-Carroi in Chinon (37) heeft deze oorsprong, net als de in Limoges  (87) bekende kerk Saint-Pierre-du-Queyroi.

Het idee dat op een kruispunt vier wegen samenkomen wordt ook weergegeven door de Keltische vorm petro-, die vier betekende. In samenstelling met het Keltische woord ‘mantulo’ (weg) levert dit bijvoorbeeld de plaatsnaam Pierremande (02) op, in 867 vermeld als Petromantula. Petromantulum vinden we ook terug als oude vorm voor een plaats die vervolgens in de Tabula van Peutinger wordt vermeld als Petroviacum (= vier wegen, ook weer te begrijpen als kruispunt). Tegenwoordig heet deze plaats Saint-Clair-sur-Epte (95): hier was vroeger inderdaad een belangrijk kruispunt van twee Romeinse wegen. Met het Keltische achtervoegsel –acum dat een nederzetting aanduidt vinden we petro- ook terug in Parcé-sur-Sarthe (72, in 770 parriciacus), Perrecy-les-Forges (71, gelegen op een notoir oud kruispunt) en Parcieux (01), namen die waarschijnlijk ook ‘plaats bij/op een kruispunt’ betekenen.

Wanneer er slechts drie wegen bij elkaar kwamen, kon het Volkslatijn ook het woord trivium gebruiken, kruispunt van drie wegen. Trévoux (01) en Trèves (69) gaan waarschijnlijk terug op dit woord, en ook een aantal gehuchten, waaronder Croix-Trévingt (42, gem. Arcon), eigenlijk een pleonasme, want Croix kan ook een kruispunt aanduiden. Trévoux en Parcieux zijn slechts enkele kilometers van elkaar verwijderd: zelfde inspiratie bij de naamgeving?

Het werd hierboven al terloops vermeld: Croix geeft natuurlijk ook het idee van een kruispunt weer. Het is echter onduidelijk, bij de meeste buurtschappen of dorpen die La Croix heten, of het gaat om het kruis als christelijk symbool of een kruispunt. Of heeft het eerste het tweede beïnvloed? Een geschiedenis als de kip en het ei: wie was er eerst…   Toch liggen veel buurtschappen La Croix op een kruispunt. Zo ook het dorp La Croix-en-Brie (77), maar oorspronkelijk was hier een kapel (in 700 vermeld als Crux capella), tegenwoordig een kerk, gewijd aan het Heilig Kruis. Zo wordt het wel erg ingewikkeld te zeggen welke betekenis de oorspronkelijke was! Afleidingen van croix komen ook voor als dorpsnaam, bijvoorbeeld La Croixille (53, in de 12e eeuw Crucilia), La Croisette (26) of Crouseilles (64).

Naast het kruis komt ook de vork, la fourche, voor als metafoor om een kruispunt aan te duiden. Dat levert echter een ander probleem op: een fourche kon ook een galg aanduiden. Zo is het van de gehuchten Fourches in Fontaine-Fourches (77) en Limoges-Fourches (77) niet duidelijk of het gaat om een kruispunt of een plek waar een galg stond. Hetzelfde geldt voor Fourches (14), Fourche (38), en, met de volgens de Gasconse klankwetten in een h- veranderde f-, Lahourcade (64). Het woord is zeldzaam in samenstellingen: Fourquevaux (31, in 1428 Forquas Vals).

Als recentere beeldende namen komen ook nog voor, vooral als naam van buurtschap of van een geïsoleerde woning: L’Embranchement, met het idee van aftakking (branche = tak), La Patte-d’Oie (17, 85) en Le Plessis-Patte-d’Oie (60), met het beeld van een ganzenpoot. Étoile wordt vaak gebruikt Place de l'Étoile à Parisvoor een kruispunt waar meer dan vier wegen samenkomen, vaak in een uitgestrekt bos (L’Étoile-Notre-Dame, gem. Sauvigney-lès-Gray (70), éénmaal in een officiële gemeentenaam: Marcy-l’Étoile (69), en natuurlijk het beroemde plein in Parijs, al heet dat tegenwoordig niet meer officieel Place de l’Étoile.

 

NB: Mocht de Franse toponymie u interesseren, dan kan ik u ook uitnodigen lid te worden van de Facebook-pagina Un toponyme par jour, waar geregeld een Franse plaatsnaam uitgelegd wordt, compleet met oude vormen.