Spring naar inhoud

Défense de cracher par terre…

Ruwe graniet en hemelsblauwe hortensia’s. Oerland aan de zee, waar het hart van Merlijn nog zacht klopt, gevangen door de oude Keltische bezwering van zijn fee Viviane… Bretagne is magisch en spreekt me zeer aan. Het is me dan ook volkomen duidelijk waarom Goscinny, de vader van Astérix, diens onoverwinnelijk (Gallisch?) dorp juist dáár heeft gesitueerd.

Doordat het zich pas heel laat bij het Franse koninkrijk aansloot - door de trouwring, niet door het zwaard! – is Bretagne altijd een plek apart gebleven, exotisch en vreemd, met zeer levende tradities, legendes, taal. Hoewel, taal…

sylvainFietsend door een Bretons dorp zie ik een oudere heer die zijn zee hortensia’s aan het snoeien is. Ik raak aan de praat en vraag hem of hij daar geboren is. Oh nee, dit is het dorp van zijn vrouw; hijzelf komt uit een ander dorp, minstens 15 km ver. Maar zijn buren, dat zijn echte buitenlanders. De linkere is een Duitser, rijk geworden door afgesneden hortensiakoppen naar Duitsland te exporteren, om er droogboeketten van te maken. Echt waar. En de rechterbuur? Dat is een Japanner, die aan de Universiteit van Rennes doceert. En wat doceert hij? U zult het niet geloven: Bretons!

Ik stond even paf. Waarom moest nu uitgerekend een Japanner Bretons komen leren aan Bretonse jongeren? Maar dat werd me in een flits duidelijk. Het goede licht waarin de regionale talen vandaag de dag staan is pas aangegaan. Gisteren – nog geen tachtig jaar geleden – stond nog in koeienletters op de schoolpleinen van datzelfde Bretagne:

‘DEFENSE DE CRACHER PAR TERRE ET DE PARLER BRETON!’.

De ‘terreur linguistique’ van de Republiek (zo werd het ook genoemd) was haar verwoestende missie nog aan het afronden. Bretonse kinderen, en met hen kinderen uit alle Provinces van het vaderland, hebben hun moedertalen hardhandig moeten afleren voor de opgelegde dominante taal: het Frans.

Wat weinigen van ons weten is dat, toen de Franse revolutie uitbrak, maar 3 van de 25 miljoen Fransen Frans spraken. De koningen waren zelfs maar tweehonderdvijftig jaar daarvoor begonnen met het Frans als administratieve taal te gebruiken. In de broeierige beginjaren van de Republiek, wisten de welbespraakte bourgeois die de revolutie leiding gaven niet zo goed wat zij aan die situatie moesten doen. Er is zelfs besloten, in het prille begin, om alle streektalen als officiële talen te gaan behandelen, met dus een leger aan vertalers die niet onderdeed voor de huidige Brusselse Babelkantoren. Maar het bleek financieel voor de jonge republiek niet op te brengen, en bijzonder onhandig op de vele slagvelden tegen de verenigde koninkrijken van Europa. Wilden de citoyens-soldats de bevelen van hun officieren snappen, dan konden ze toch maar beter dezelfde taal spreken.

Dus, goedschik of kwaadschik, moest het hele land aan het Frans: ‘Chez un peuple libre, la langue doit être une et la même chez tous!’. La grammaire à la pointe de la bayonnette. En hoewel de jaren tussen 1789 en 1870 politiek zeer woelig waren - twee republieken, drie koningen, twee keizers (waarvan één, Napoleon, zelf tot zijn 15 de alleen Corsicaans sprak) - was het tegen het eind van de negentiende eeuw wel duidelijk geworden voor iedere Fransman: Frankrijk was één natie met één taal en voor de jargons barbares en de idiomes grossiers, zoals de regionale talen en patois heetten in de mond van ces Messieurs de Paris, was er in het vaderland geen ruimte.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Tot ver in de jaren 1960 werd er ’s avonds in tal van plattelandse gezinnen door de ouderen geen Frans gesproken, maar ch’ti, flamand, normand, breton, auvergnat, catalan, béarnais, gascon… En in minstens drie regio’s domineert de plaatselijke – irréductible – taal nog trots het sociale en culturele leven: en Alsace, au Pays Basque et en Corse. Gelukkig erkennen wij vandaag weer dat verscheidenheid een rijkdom is, en de regionale talen die de twee eeuwen lange chasse aux sorcières hebben overleefd – zij het met de hulp van de Japanners  – kunnen weer op adem komen, en ons verrassen met prachtige woorden en een net andere wijsheid. Comme diraient les Corses: ‘Mégliu tardi ca mai’ (Mieux vaut tard que jamais)!

Des mots et merveilles:

Een paar Provençaalse woorden zoals peuchère (goede genade) of fada (fou) zijn – mits zij avec l’accent uitgesproken zijn – hebben zich goed in de Franse volksmond genesteld, net als het beroemde Normandische weifelantwoord: ‘P’tet ben qu’oui, p’tet ben qu’non…’

Van het Baskisch kunnen u en ik niets snappen, eveneens van het Bretons. Oordeel zelf:

Baskisch: Edozein txoriri, eder bere habia (A chaque oiseau, son nid est le plus beau.)
Bretons: Gwelloc'h un amezeg a dost eget ur c'har a-bell (Mieux vaut un proche voisin qu'un parent éloigné.)

Het Corsicaans (maquis, vendetta) en het Elzassisch, eveneens onbegrijpelijk voor de leken, liggen toch enigszins dichterbij ons en bieden ons klankjuweeltjes. Een paar maar:

En corse:

- sculapratu: cul-nu, nudiste
- giranduleta: randonnée (on se fait une petite girandoulette?)
- rompifeste: un rabat-joie, quelqu’un qui gâche le plaisir des autres
- cacarella: diarrhée, merde (je suis dans la cacarelle!)

En alsacien:

- brodegol: procès-verbal
- flishhulder: papillon
- gfedztbibel: jolie fille

(source: www.lexilogos.com)


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *