Spring naar inhoud

De la chasse et du braconnage

Mijn lieve vader – inmiddels 89 jaar – is een nette man: voormalig onderdirecteur bij de Banque de France, fervent katholiek en een keurige belastingbetaler. Nooit zou hij iets nemen dat hem niet toebehoort. En toch gaat een van de smakelijkste keukentafelverhalen in onze familiekring over die dag dat hij, stropend in een beekje van zijn geliefde Normandië, twee gardes-chasse zijn kant op hoorde komen.

De net gevangen rivierkreeften had hij gauw in zijn onderbroek verstopt en hij was – le visage serein mais les couilles en feu – de besnorde beambten met een beleefde groet gepasseerd. Mon père est un braconnier du dimanche.

Braconnier: het woord klinkt in het Frans heel anders dan ‘stroper’ in het Nederlands. Het ruikt naar herfstbladeren, het voelt als een vertrouwde ribfluwelen jas, het roept het beeld op van de vrije natuurmens die een lange neus trekt naar de gendarmes. Een Reinaert de Vos op twee poten. Voor mijn vader was tijdens de oorlogsjaren het vangen van een haas een nuttige acte de résistance, net als voor de arme sloebers van vóór de Révolution, toen de jacht het alleenrecht van de edelman was en het vangen van een edelhert – le cerf, Koninklijke wild per uitstek – een halsmisdaad was.

De jagerslobby is een van de sterkste spelers op het publieke veld

Maar in de nacht van 4 augustus 1789 werden alle privilèges afgeschaft en mocht plotseling iedereen jagen. De jacht werd meteen als een vanzelfsprekend Droit de l’Homme beschouwd. Het hek was van de dam: miljoenen boeren grepen hun kans om eindelijk af te rekenen met het viervoetige gespuis dat hun graanvelden voorheen mocht verwoesten. Een Terreur die de wildstand in een paar jaar tijd terugbracht tot bijna niets meer.

Na de stormachtige jaren van het Napoleon tijdperk, bracht het terugkeren van de monarchie weer enig soelaas in de vorm van een nieuw droit de chasse (1844) dat het jagen voorbehield aan de landeigenaar. Dat waren, naast de rijke boeren, de rijkere bourgeois, die de teugels in handen hadden genomen. De tijd van de permis de chasse was aangebroken. En dus werd de braconnage weer een wijd verspreide, meestal door de vingers geziene, praktijk - gedogen op zijn Frans.

Vandaag de dag tellen de samenwerkende jachtverenigingen in Frankrijk meer dan 1,4 miljoen leden. Geen één politieke partij kan op zoveel militanten rekenen en geen één vereniging is zó diep geworteld in het Franse platteland. Daarom is de jagerslobby een van de sterkste spelers op het publieke veld. Dikwijls bekvechten ze met de écologistes om de titel van natuurbeschermingskampioen – en het is waar dat je, om te mogen jagen, een grondige kennis van natuur en milieu moet kunnen bewijzen, wat helemaal niet nodig is om je écologiste te noemen. Het is ook waar dat de explosieve groei van het aantal wilde zwijnen, dat jaarlijks voor miljoenen euro’s aan schade veroorzaakt, het slachten van een half miljoen van die joekels per jaar noodzakelijk maakt. En dat kunnen alleen de jagers doen.

Wie op een zondag in oktober in de Franse bossen wandelt, zal ze dus niet gauw kunnen ontwijken, die bewapende mannen in camouflagepakken en een knalgeel vestje. Dit tafereel doet me altijd denken aan sigarettenpakjes met zo’n viriele cowboykop en daaronder in koeienletters: Le tabac tue. Een tikketje grotesk en eigenlijk, zeker als je stilstaat bij de vele accidents de chasse, ronduit griezelig. Maar wie geprobeerd heeft om jagers uit zijn terrein te houden, weet hoe moeilijk het ligt: het mogen jagen is diep in het hart van de Fransman genesteld, net als het recht om een wapen te dragen in een Amerikaans hart, of de hypotheekrenteaftrek in een Nederlands hart. C’est comme ça


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *